Brieven-dagboeken

Luc De Ryck, burgemeester van Temse vertelt:

Vrijwel vanaf de bezetting startte het verzet. Tot de frequentste clandestiene activiteiten behoorde het nachtelijk over de grens smokkelen van brieven en documenten. In Brussel ging eind 1914 – onder de codenaam Theo – een spionagedienst van start met als doel het Belgische leger in te lichten over de verschillende bewegingen en doeleinden van de Duitsers. Brieven e.a. werden bijeengebracht in een herberg in Brussel, vanwaar ze via uitgekiende wegen over de grens werden gesmokkeld. Ze werden vindingrijk overgebracht in manden, klompen van schoolkinderen, hoeden, schoenen, korsetten, wandelstokken, valiezen, holle pijpen die over de draad werden geschoten met (kruis)boog…
Meerdere Temsenaren waren daarbij actief, o.a. Kamiel Van Buynder. Toen Theofiel Maes werd aangehouden, ontdekten de Duitsers de schuilplaats van zijn documenten. Gevolg: 58 arrestaties, o.a. Kamiel Van Buynder. Met Theofiel Maes en 4 anderen werd hij ter dood veroordeeld. Het genadeverzoek van vrederechter Theo De Decker en de Temsese activisten werd niet ingewilligd. Bij zijn fusillering weigerde Kamiel Van Buynder de blinddoek. Hij stierf na de woorden Voor God en Vaderland. Na de bevrijding werd zijn stoffelijk overschot herbegraven op ‘t Schoonselhof in Antwerpen, in 1922 op het kerkhof van Temse. Een grafsteen herinnert daar ook nu nog aan het drama. In Clemens De Landtsheers huldeboek Temsche ter gedachtenis… oorlog 1914-1918 (1920) is een aparte bijdrage aan hem gewijd. De herdenkingssteen die in zijn huisgevel was aangebracht, werd vóór de afbraak van de huizenrij in 1983 door het Gemeentebestuur verwijderd. Hij staat nu in het memoriaal onder de pui van het gemeentehuis.
In 1994 schreef ik een brief naar de toen 89-jarige dochter van Kamiel Van Buynder, Rosalie (°Tielrode, 12/6/1905), in Nijvel.  Mijn schrijven bleef onbeantwoord. Nadat zij op 24/12/1995 was overleden, 90 jaar oud, werd ik gecontacteerd door haar buren-vertrouwenspersonen. Bij de opruiming van de woning hadden zij mijn brief gevonden en zij nodigden mij uit voor een bezoek. Zij schonken meerdere van Kamiels bezittingen die altijd door de dochter bewaard waren. Het meest aangrijpend was de hartverscheurende afscheidsbrief die hij vanuit zijn dodencel schreef aan zijn echtgenote en kinderen.
Rosalie Van Buynder hielp haar vader tijdens WO I bij diens spionageactiviteiten, zonder dat haar moeder daar weet van had. Zij was amper 12 en verborg doorgaans brieven in haar hoed. Haar activiteiten bleven onbekend en na vaders arrestatie werd zij ongemoeid gelaten. Zij baatte jarenlang een winkel uit in Bornem. Nadat zij in 1960 weduwe was geworden, verhuisde zij in 1969 naar Etterbeek, in 1981 naar Nijvel, waar zij vanaf 1983 een studio van het OCMW bewoonde. Zij overleed aan de gevolgen van een trombose. Haar dochter (enig kind), Jeannine Pauwels
(° 9/5/1942), kwam in 1982 bij een auto-ongeval in Zaïre om het leven.
In 2013 werd ik opnieuw gecontacteerd door haar voormalige buren, die intussen in Ardooie woonden. Zij deden een tweede schenking, o.a. een grote staatsiefoto van Kamiel Van Buynder én de geldbeugel met 28 frank die Kamiel voor zijn dochter had voorbehouden…

Met dank aan Luc De Ryck

staatsieportret van buynder

Staatsieportret Kamiel Van Buynder

Afscheidsbrief van Kamiel aan zijn vrouw en kinderen.

Zeer beminde vrouw en kinderen,

Met droefheid laat ik U weten dat mijn straf wordt uitgevoerd.  Met droefheid moet ik van mijn dierbare vrouw en kinderen scheiden,  maar er is niets aan te doen.  Wij moeten ons vertrouwen stellen in de goede God, die U en mijn kinderen zal beschermen.  Ik zal voor U veel bidden in de hemel.  Allerliefste vrouw, gij moet U daarin troosten; het is de wil van Onze Lieve Heer en later zullen wij met elkaar gelukkig zijn in de hemel.  De dood moeten wij toch allen doorstaan, de ene vroeg en de andere laat.  Zijt gerust in mij; ik heb een goede biecht gesproken.  Ik sterf gerust.  Zorg voor mijn dierbare kinderen en in het bijzonder voor ons Rozeke.  Maak dat zij een goede geleerdheid kan bekomen.  Vraag dat eens aan de baas van Mieken.  Hij zal daar wel voor helpen zorgen. (…)  Allerliefste vrouw en kinderen, bemin elkander en kom goed overeen, dan kunt gij met elkaar nog lang en gelukkig leven.  Dierbare kinderen, vergeet nooit wat gij uw bedroefde moeder verschuldigd zijt, zijt haar eerbiedig en onderdanig, en zijt altijd eerlijk, braaf en snel en geef altijd goed uw loon af aan uw dierbare moeder, dan zult gij altijd gelukkig zijn op aarde.  Allerliefste vrouw en kinderen, troost u daarin: scheiden moeten wij toch.  Het is de wil Gods, de ene moet eerder gaan dan de andere.  En ik vergeef U allen.  Wij hebben elkaar altijd goed bemind en met elkaar gelukkig en in vreugde geleefd, en ik denk dat gij met elkaar zo zult voortleven.  Dit is mijn laatste wil.  Dierbare echtgenote , aan U sta ik al mijn rechten af en alles wat ik bezit.  Gij hebt volledig recht op mijn geld dat op de post staat om erover te beschikken naar eigen goeddunken.  Dit is mijn laatste wil, van uw geliefde echtgenoot, man en vader.  Ik sterf met kloeke moed voor het vaderland en hoop dat wij elkaar later mogen weerzien in de hemel.  Zeg het ook aan onze bedroefde moeder, vader, zusters, broeders en kinderen en zeg ook …(initialen om niemand te verraden) dat zij U mogen indachtig zijn, anders hadden zij hier ook geweest en … (initialen om niemand te verraden).  Ik mag gerust sterven; ik heb niemand verklapt.  Ik wens U veel geluk en zegen en later zullen wij elkaar weerzien in de hemel.  Ik geef U de hand en duizend kussen, van uw dierbare echtgenoot en vader.

Naschrift:

Allerliefste vrouw, er is nog één middel dat ik nu vernomen heb en dat is een genadeschrift aan de Keizer.  Dat ga ik nu doen en ik denk dat het mij nog kan redden.  Ga bij de gouverneur-generaal naar Brussel en doe een knieval.  Misschien kan dat nog helpen.  Zolang er leven is, is er hoop.  Uw dierbare echtgenoot en vader C. Van Buynder.

Bron: H.K.W. , augustus 2004, pagina 15-16

Met dank aan de Heemkundige Kring Wissekerke

 

Yves DERVEAUX

“Hij was direct een lijk.”

De Slag bij Sint-Margriete-Houtem vanop de eerste rij

Wie nog maar een beetje bezig is met de Belgische militaire geschiedenis tijdens de Eerste Wereldoorlog, kan niet om 18 augustus 1914 heen. Op die warme zomerdag, zo is te lezen in  Onze Helden voor het Vaderland gesneuveld, ontving ‘het 22ste Linieregiment den vuurdoop te Sint-Margriete-Houtem.’ Het weerstaat er verschillende uren ‘den stormloop’ van de Duitsers, en zal er uiteindelijk ‘23 officieren en meer dan de helft zijner manschappen’ verliezen. Deze bloedige slag betekende het einde van de Belgische verdediging aan de Getelinie, waarop het leger zich terugtrok naar de Versterkte Vesting van Antwerpen. Jozef Oelbrandt, korporaal bij het 1/I/22, is daar dan al niet meer bij. Hij zal zwaargewond voor verdere verzorging weggebracht worden naar Tienen, en als invalide tijdens de rest van de oorlog geen rol van betekenis meer kunnen spelen. Zijn getuigenis, tijdens zijn revalidatie zelf uitgeschreven op 30 velletjes, biedt ons echter een zeer goed beeld van de gruwel die de soldaten die bewuste namiddag meemaakten.

Josephus Joannes Oelbrandt geboren te Sint-Niklaas 16 februari 1887,
zoon van Aloysius Francies en Julia Maria Herweyers

Mobilisatie

Na de moord op Franz Ferdinand en zijn echtgenote op 28 juni 1914 barst in Europa een diplomatiek conflict los. Door de toenemende oorlogsdreiging beslist de Belgische regering nauwelijks een maand later om de militieklassen van 1910, 1911 en 1912 op versterkte vredesvoet te plaatsen. Voor het 2de Linieregiment betekent dat concreet dat de dienstplichtigen zich zo snel mogelijk naar de Leopoldkazerne van Gent moeten begeven. Twee dagen later – op 31 juli 1914 – wordt de algemene mobilisatie afgekondigd, met de oproeping van de klassen 1901-1909. De verzamelplaats voor het 2de Linieregiment is ditmaal de kazerne in Dendermonde. Tussen de ‘geestdriftig zingende soldaten’ in de kazerne bevindt zich ook korporaal Jozef Oelbrandt uit Sint-Niklaas. Oude vrienden zien elkaar terug, herinneringen worden opgedist,en de sfeer onder de manschappen is opperbest. ‘Het was juist of wij allen naar eene kermis trokken’, schrijft Oelbrandt. Niets zal minder waar blijken.
Op 4 augustus worden ook de klassen van 1899 en 1900 opgeroepen. De tweede brigade is dan al ontdubbeld. Het 2de Linieregiment (kolonel Fabry) bestaat uit de klassen van 1906, 1909, 1911 en 1913, terwijl het 22ste Linieregiment (kolonel Guffens) wordt samengesteld met de klassen van 1907 (waartoe Oelbrandt behoort), 1908, 1910 en 1912. De oudste klassen (1899-1905) vormen het 2de vestingregiment, dat belast wordt met de verdediging van een ondersector van de Linkerscheldeoever, ten zuiden van het fort van Haasdonk. Vanuit Gent vertrekken ondertussen de eerste troepen richting Tienen en Grimde. De soldaten in Dendermonde krijgen nog een dag respijt. Oelbrandt bevindt zich die namiddag aan [maar wellicht ook in] café – o, ironie – Den Duitsch, wanneer een onderluitenant hem meedeelt dat Duitsland de oorlog aan België heeft verklaard. De verontwaardiging bij het horen van dit nieuws is groot:

“In eene opwelling van vlaamschen geestdrift en verontwaardigd dat diegene die wij steeds onze germaansche broeders noemden, naar wien wij steeds met bewondering opzagen, die in ons land daarbij nog al de vette plaatsen bekleedden, nu ons geliefd vaderland in rouw en smart gingen dompelen, ben ik op eene tafel gesprongen en heb voor de duizenden soldaten die zich daar hadden verzameld eene geestdriftige vlaamsche en fransche aanspraak gehouden. Ik heb hun het huichelend gedrag der duitschers uitgelegd en hen aangemaand kloekmoedig hunnen vaderlandschen plicht te volbrengen. Ik vestigde er hunne aandacht op dat wij Belgïes bestaan in handen hielden en wij voor dit behoud goed en leven veil moesten hebben.”

Meteen na deze toespraak wordt de (symbolische) daad bij het woord gevoegd. Oelbrandt spreekt een strijdmakker aan die in het dagelijks leven als schilder aan de bak komt. Die laatste maakt meteen een nieuw uithangbord voor het café, met daarop La Patrie – Het Vaderland. Onder‘donderend gejuich van de burgers en soldaten’ wordt dit bovenop het oude bord aangebracht. Meteen daarna gaat het richting stadhuis, waar de officiële aanvraag tot naamsverandering wordt ingediend. Ondertussen hebben twee soldaten de Belgische driekleur van een burgerhuis verwijderd, waarmee ze al zingend door de straten trekken. Spoedig sluiten zowat alle soldaten zich bij hen aan. Op de kiosk in het park komt ‘de aandoenlijke manifestatie’ tot stilstand, ‘alwaar de vaderlandsche liederen der verbondenen’ nog eens massaal worden gezongen.

Naar de Getelinie

Op woensdag 5 augustus vertrekken om 8 uur de treinen ‘onder gezang zonder weerga’ ook vanuit Dendermonde richting de Getevallei. In Leuven stappen de manschappen uit, om van daaruit te voet naar Tienen te trekken. In het begin gaat alles goed, ‘doch na twee uren gaan krijgen de honderden auto’s die langs de baan stonden veel werk’, want de mannen willen van de gelegenheid gebruikmaken om eens een ritje te doen. Oelbrandt heeft begrip voor die plantrekkers: ‘Ongetwijfeld was dit voor het grootste gedeelte zoo niet het eerste [ritje] dan wel het laatste huns levens.’ Allen komen ze om 20 uur in Tienen aan, waar ze in de suikerfabriek hun intrek nemen. Hoewel commandant Wauthier hen verbiedt om nog de stad in te trekken, gaan de mannen naar hotel Du Nouveau Monde, omdat ze nu eenmaal ‘niet met een ledige maag konden gaan strijden’ en ‘niet wisten wat de dag van morgen’ hen ging brengen. Ze genieten van een stevige maaltijd en ‘een lekkere flesch.’ Pas om 23 uur gaan ze slapen. Het zegt veel over de militaire discipline en gehoorzaamheid op dat moment.

In de dagen die volgen worden de voorbereidingen getroffen voor de toekomstige confrontatie met de Duitsers. Af en toe ‘vallen de mannen bij eene boerin binnen’, die ‘seffens twee grootebrooden’ snijdt, ‘goed met boter’ besmeert, en ‘hun zakken vol fruit’ laadt. Oelbrandt voegt er fijntjes aan toe dat ‘de officieren niet de laatste waren om hun deel in den buit op te eischen.’ Op 7 augustus komt de koning langs om de troepen te schouwen. Dat zorgt aanvankelijk voor wat onrust, want de soldaten ‘gingen de wapens moeten bieden, doch het meerendeel onzer sedert jaren het leger verlaten hebbende kende de nieuwe manier volstrekt niet.’ Om een complete afgang bij de opperbevelhebber te vermijden, besluiten de commandanten hun mannen aan te leren wat een ordentelijke troepenschouw inhoudt. Die oefening baart blijkbaar kunst, want als de koning ‘weldra in ’t zicht’ verschijnt, biedt ‘gansch het regiment onder eenen onwaarschijnlijken geestdrift de wapens op eene wijze lijk wellicht het nog nooit geschied was.’ De patriottische beschrijving van deze gebeurtenis eindigt met een opvallend zinnetje: ‘Zijne Majesteit scheen zeer weemoedig.’ Wellicht was het realiteitsbesef van de vorst toen al groter dan dat van veel van zijn troepen.

De lange marsen en de aanleg van loopgraven doen de voeten van Oelbrandt geen goed. Op 8 augustus bezoekt hij de bataljonsdokter om zijn voeten ‘te vermaken.’ Na overleg met de regimentsdokter wordt Oelbrandt met vijf anderen naar het krijgshospitaal van Gent gestuurd, om daar een betere behandeling te krijgen. Aanvankelijk wordt Oelbrandt er afgekeurd voor verdere dienst. Op zijn bed wordt R(éformé) geschreven, dat hij evenwel ‘gauw uitveegde.’ Na heel wat geruzie met de dokters – breed uitgesmeerd op drie bladzijden – krijgt hij toch de toestemming om terug naar Tienen te gaan. Zijn terugtocht brengt hem eerst naar Sint-Niklaas, waar hij nog snel even zijn familie in de Parkstraat 12 bezoekt. Daarna gaat het richting Antwerpen. Door het raam ziet hij de eerste vluchtelingenstromen op gang komen, terwijl de genie huizen die het zicht van de forten belemmeren in brand steekt. Via Brussel komt hij uiteindelijk in Tienen aan. Daar wordt hij een hele dag van hot naar her gestuurd. Niemand lijkt nog te weten waar alle eenheden zich precies bevinden. Op 16 augustus vindt hij zijn mannen terug in Neerlinter. Net op tijd.

De confrontatie met de Duitsers

Dankzij Le Combat de Hautem-Sainte-Marguerite (1923) van kolonel Crame weten we perfect wie er zich waar bevindt op die noodlottige 18de augustus. Majoor Dugniolle geeft rond de middag de1ste, 2de  en 3de compagnie van het I/22 de opdracht om positie in te nemen in de loopgraven 800 meter ten oosten van Sint-Margriete-Houtem. Die loopgraven bestrijken een open (!) veld van ongeveer 1200 meter achter de linies van de Grote Wachten te Neerlinter, Oplinter en Schaffelberg. Nog voor de troepen zich naar daar kunnen begeven, barst de strijd al los. Terwijl Oelbrandt en zijn mannen op dat moment vanuit het zuiden het dorp binnenkomen, ‘vliegen de bommen’ al in het rond. De soldaten zijn ‘met angst geslagen’, maar laten de moed niet zakken. Integendeel, ze zingen ‘voor de laatste maal een krachtige vlaamsche leeuw.’ In het dorp zelf ziet Oelbrandt dat generaal Lechat en zijn stafofficieren het hazenpad kiezen. Veel tijd voor verontwaardiging is er niet, want meteen ‘ontploft eene bom op een hoeve op ongeveer 20 – 30 meter van ons.’ In vliegende vaart zoeken de manschappen dekking ‘in eene gracht in de straat rechtdoor voorbij de kerk’, waar ze beschermd zijn door ‘eenen hoogen akker.’

Het gevecht is nu in volle gang. ‘De duitsche artillerie schiet onafgebroken in onze richting en bezaait gansch het veld voor ons met bommen.’ Oelbrandt is getuige van een voltreffer: ‘Op zeker ogenblik lijk eene compagnie den weg naar Oplinter opging viel er eene bom voor die compagnie die den hoek van een huis wegsloeg en verschillige soldaten doodde en kwetste.’ Hoewel Oelbrandt trots neerpent dat ‘midden al dat vuur velen van ons hunne koelbloedigheid’ bewaren, is hij ook niet te beroerd om toe te geven dat ‘velen onzer de dood op het lijf hadden en gansch den tijd onbeweeglijk bleven zitten.’ Leon Hulstaert bijvoorbeeld, een goede vriend van de schrijver, ‘scheen al een voorgevoel te hebben van wat er met hem ging gebeuren.’ Hij was ‘zoo moedeloos dat ik hem gedurig moest aanmoedigen.’Vooraleer veel mannen een gewisse dood tegemoet gaan, krijgen ze als bij toeval nog een laatste opkikker aangeboden:

‘Een boer kwam daar uit het veld gevlucht met eene kruik in de hand. Wij riepen hem of er bier in was! Dood van schrik stotterde hij: ‘ja, ja, ja, mijnheer.’ Ik sprong op hem toe, nam de kruik, en midden het aanhoudend gedonder vulde ik de goerdes van verschillige mannen. De boer bidde en smeekte, riep op vrouw en kinderen, doch wij zegden dat we dorst hadden en dat het bier ons smaken zou. Ge had dien boer moeten zien lopen met zijne leedige kruik!!!’

De posities van het 22ste linieregiment rond 14 uur op 18/08/1914.

Rond 15 uur wordt het bevel gegeven om op te rukken en de loopgraven in het veld buiten het dorp te gaan bezetten. Na een goede 200 meter bereikt de compagnie van Oelbrandt het veld, maar net op dat moment beginnen de Duitsers met ‘een geweldig kanonvuur.’ De mannen gaan meteen plat op de buik, en wachten tot het gedonder voorbij is. Zo raken ze met tussenpozen telkens een twintigtal meter vooruit, tot ‘de duitsche infanterie plotseling een moorddadig geweervuur opent, dat een heel deel onzer kameraden onder afschuwelijk gehuil levenloos doet neerstorten.’ De overgeblevenen zijn radeloos. Ze weten niet vanwaar het vuur komt, want er is geen Duitser te zien. Op zo’n 60 à 70 meter bemerken ze een korenveld, dat iets meer beschutting kan bieden. ‘Als pijlen uit eenen boog’ rennen ze erheen, maar opnieuw nemen de Duitse infanteristen hen onder vuur. Opnieuw sneuvelen een heel pak mannen. Samen met ‘hoogstens 25 ongekwetsten’ slaagt Oelbrandt erin om zich in het korenveld ‘te werpen.’ Hij roept nog naar zijn vriend Hulstaert, maar die is tijdens de spurt helaas al door de dood ingehaald.

Zo goed en zo kwaad het kan proberen de mannen nu te achterhalen waar de Duitsers zich zouden kunnen bevinden. Er wordt vermoed dat een klaverveld iets verderop een heel pak veldgrijze uniformen herbergt. Dat krijgt de volle lading van de Belgen, tot iemand opeens ‘Cessez le feu! Nous tirons sur les Belges!’ roept. De Duitsers maken van dat oponthoud gebruik om op te rukken. Het tafereel maakt een immense indruk: ‘Het scheen mij een heel regiment duivels!’ De Belgen hervatten het vuur, zien een heel pak vijanden in het stof bijten, maar hebben al snel door dat ze overmand zijn. Tussen de ‘vijandelijke kogels’ en ‘de ontploffende shrapnels’ door beveelt commandant Wauthier de terugtrekking. Iets verderop worden ze tegengehouden door onderluitenant De Winckelaere, die Oelbrandt en een van zijn makkers beveelt om het vuur te hervatten. Oelbrandt gehoorzaamt, maar kan het niet laten om te vermelden dat de onderluitenant ‘zich achter ons neerzet.’ Het zal niet baten. Ook voor De Winckelaere zal die dag de oorlog eindigen.

Oelbrandt wordt vrijwel meteen getroffen in de linker onderarm. Kort daarna krijgt ook zijn bovenarm een voltreffer te verduren, ‘doch deze wonde veroorzaakte geene grote pijn, en zoo bleef ik voortschieten.’ De Duitse troepen zijn dan al op zo’n 25 meter genaderd, met ‘de officieren rechtstaande achter hen.’ Oelbrandt ziet zijn kans schoon om die officieren ‘te doen vallen, doch bijna oogenblikkelijk treft een vijandelijke kogel [hem] in de linkerzijde in de richting van het hart met zulk geweld dat ik dacht een heele bom op ’t lijf te krijgen.’ Met zijn laatste krachten geeft hij zijn buur nog zijn laatste kogels, die er op zijn beurt nog in slaagt om een Duitse officier naar het hiernamaals te sturen. Terwijl die vol trots ‘Ziet ge hem vallen!’ roept, wordt ook hij geraakt: ‘Hij plofte zonder een woord te spreken achterwaarts over en was direct een lijk.’

Kort daarna wordt de strijd gestaakt. Zwaargewond ziet Oelbrandt zo’n 25 Duitsers verkleed in Belgische uniformen naar voren komen. Vol walging beseft hij meteen dat zij het waren die even tevoren verwarring hebben gezaaid toen zijn manschappen zich nog in het korenveld bevonden. Terwijl ze verder trekken, houdt een van hen halt bij de kermende korporaal. Hij ontbloot de borst van Oelbrandt, ziet meteen de ernst van de verwondingen, en roept een verpleger om de eerste zorgen toe te dienen. Oelbrandt schreeuwt het uit van de pijn, waarop de vijand hem zonder hem ‘terug aan te kleden’achterlaat. Kort daarna betreedt aalmoezenier Duron het slagveld om de biecht van de stervenden af te nemen. Oelbrandt steekt zijn bewondering niet onder stoelen of banken: ‘Een ware held, die midden in de tranchées had gezeten en zijn plicht had gedaan.’ Iets later duikt sergeant Naniot op, die iets minder lovende woorden krijgt: ‘In plaats van te strijden had hij zich al huilend in een beetveld verborgen.’ Een andere gekwetste op het slagveld deelt die mening, en staat recht om Naniot een slag in het gezicht te geven, hem verwijtend voor lafaard.

Tegen de avond komt een Duitse achterhoede op een paar honderd meter van het slagveld bivakkeren. Enkele goedhartige Duitsers proberen her en der nog de laatste wensen van de gewonden te vervullen. Oelbrandt vraagt aan een paar van hen waarom ze tegen België vechten. Ze halen de schouders op, want ‘ze weten zelf wel dat het een onrechtvaardige oorlog is.’ Het vele gekerm en gekreun is tegen de ochtend al een heel stuk uitgestorven. Verkleumd van de kou ziet een halfnaakte Oelbrandt de Duitsers verder trekken. Hij is onder de indruk van hun uitrusting: ‘ze waren kolossaal goed ingespannen, vervoerbare keukens, ovens, al wat ge wilt.’ Enkel gewapende wachten blijven achter, maar doen niets: ‘Men liet ons daar maar liggen!’

De moeizame weg naar revalidatie

In de voormiddag betreden twee geestelijken het slagveld, dat ‘bezaaid lag met lijken.’ Ze krijgen van de Duitsers de toestemming om de overlevenden naar het dorp te brengen. Omdat er in de kerk geen plaats meer is, worden ze dan maar in de school gelegd. De chaos is compleet. Verplegers en dokters komen handen te kort. Pas tegen de valavond krijgt Oelbrandt de eerste dokter te zien, die weinig meer kan doen dan de wonden te ontsmetten en wat verband aan te brengen. Iets later duiken Duitse brancardiers op, die Oelbrandt en een pak anderen op hun draagberries leggen en naar het hospitaal van de Grauwzusters in Tienen brengen. Hoewel de Duitsers zeer voorzichtig rijden, ‘was dit vervoer een echte lijdensweg door het geschok van het rijtuig.’ De toestand van Oelbrandt is duidelijk kritiek: ‘Men speette mij met morphine.’In de nacht van 19 op 20 augustus krijgt hij het Heilig Oliesel toegediend. Het ergste wordt gevreesd.

Op vrijdag 21 augustus – drie dagen na de slag – is dokter Frans Daels de reddende engel van dienst. Die stelt vast dat de ribben onder het hart ‘zijn afgeschoten’. De kogel heeft de linkerlong doorboord, en is er langs achteren weer uitgekomen. Dankzij de ‘kundige zorgen’ van de arts verbetert de toestand van Oelbrandt ietwat, maar het is duidelijk dat enkel een operatie het leven van Oelbrandt kan redden. Terwijl de Duitsers lelijk huishouden in Leuven, wordt hij door dokter Deneve in Tienen geopereerd. Daar loopt het bijna fout, want ‘gedurende de operatie heeft men zeer lang de kunstmatige ademhaling moeten toepassen.’ Ook na de operaties blijven diverse wonden etteren. Het zorgt ervoor dat Oelbrandt‘tweemaal per dag onder de hevigste pijnen vermaakt’ moet worden. Dankzij een pak ‘sparadraps’ [verbandgaas] en ‘krachtig voedsel’ kruipt de korporaal door het oog van de medische naald.

Eind november 1914 beleven de gewonden ‘in de ambulancie nog eene treurige dag.’ Oelbrandt spreekt over twee soldaten, waaronder een zekere Vandevelde uit Gent, die voor de mobilisatie geneeskunde studeerden. Met toestemming van dokter Deneve geven zich uit voor dokters die daar ‘ook eenige dienst doen.’ De toon van Oelbrandt is bitter als hij de houding van de dokters beschrijft:

‘Toen zij voorzagen dat de ambulancie vroeg of laat ging afgeschaft worden, besloten zij van eene gunstige gelegenheid gebruik te maken om onmiddellijk te vertrekken. Zij zouden moeten vervangen worden door dokters van Tienen, doch jonge snotters als zij alle drij waren, lagen zij daar sedert weken mede in ruzie en wilden zij beletten dat we door hen [dokters van Tienen] zouden verzorgd worden. Zoo besloten zij dan ’t akkoord met den duitschen dokter om ons naar het hospitaal over te brengen, maar daar was geene plaats genoeg, en dan hebben zij er niets beters op gevonden dan er zooveel als er teveel waren naar Duitschland te zenden. De verraders hebben zelf niet geaarzeld verschillige gemutileerde in ballingschap te doen vertrekken. […] Daags nadien zijn de drij verraders vertrokken, vervloekt en gehaat van de overblijvende [24] Belgische gekwetste.

Op 3 december 1914 worden die 24 overblijvers – met daaronder Oelbrandt – overgebracht naar het ‘burgerlijk gasthuis van Tienen’, waar ze maandenlang ‘de beste en liefderijkste verzorgingen’ krijgen. Een ander lichtpunt in de revalidatie van de soldaten komt er op 20 juli 1915, wanneer kardinaal Mercier hen om 5 uur ’s morgens (!) een bezoek brengt. De kardinaal bedankt hen ‘vurig’ voor het mooie onthaal, en fluistert hen bemoedigend toe dat ze zonder twijfel nog hun kans zullen krijgen aan het IJzerfront. Het versterkt de vaderlandse gevoelens van Oelbrandt alleen maar, wat zal blijken uit de anekdote waarmee het verhaal eindigt. De volgende dag wordt Oelbrandt uit het hospitaal ontslagen. Hij begeeft zich naar het station om er de trein naar Sint-Niklaas te nemen. Op het perron ziet hij een Duitse wacht staan. Dat houdt Oelbrandt niet tegen om hem nog eens giftig toe te schreeuwen: ‘Leve kardinaal Mercier Leve Koning Albert! Leve ons dierbaar Vaderland!’ Zijn patriottisme hadden de Duitsers duidelijk niet aan flarden kunnen schieten.

Epiloog

Het militair dossier van Oelbrandt geeft in grote lijnen de rest van zijn calvarietocht weer. Na zijn ontslag uit het burgerlijk hospitaal van Tienen gaat hij huiswaarts, maar vier weken later maakt hij alweer de omgekeerde beweging. Na anderhalve maand aanvullende verzorging gaat het richting Sint-Pieters-Woluwe, waar hij tot december 1919 zal verblijven in Villa Parmentier, een instituut voor oorlogsinvaliden. De omvangrijke hoeveelheid (medische) briefwisseling in het dossier toont aan dat Oelbrandt bleef sukkelen met zijn gezondheid. Aanvankelijk wordt hem een invaliditeit van 20% (‘petit blessé’) toegekend, maar dat percentage wordt in 1923 opgetrokken naar 55%. Op 24 februari 1925 wordt hij ‘pensionné définitivement’, omdat zijn ‘bronchite’ helaas ‘chronique’ is.

Als secretaris van de Amicale des Anciens Combattants de Hauthem Ste Marguerite had hij ondertussen mee geijverd voor de oprichting van een monument dat de gesneuvelden van – zoals hij het zelf schrijft – ‘dat glorierijk wapenfeit’ moest herdenken. Na heel wat (politiek) heen-en-weer-gekrakeel zal het uiteindelijk in 1923 in Tienen onthuld worden. Op dat moment woont hij met zijn gezin al in de Bondgenotenlaan 119 in Leuven. In 1937 wordt zijn aanvraag om een vuurkaart te bekomen goedgekeurd. Op 6 juni 1941 krijgt hij nog een chevron de blessure[blessurefrontstreep], maar dat zal hij zelf niet meer meemaken. Op 20 november 1940 – nauwelijks een half jaar na de Duitse inval – overlijdt hij immers in Leuven. Na zijn strijd voor het vaderland en de herdenking van zijn gesneuvelde makkers was nu ook zijn levensstrijd voltooid.

Een hartelijk woord van dank aan Freddy Vandenbroucke, Roger V. Verbeke, André Gysel, Emmanuel Stockman, de Koninklijke Kring van het Land van Waas, en Familiekunde Vlaanderen – Land van Waas.

 

Camille Duron (1884-1915). Sneuvelde in Zuidschote door granaatscherven.Oorspronkelijk begraven in Steenstrate.

Na de oorlog werd hij herbegraven op het gemeentelijke kerkhof in zijn geboortedorp Jonkershove.

Zijn heldenhuldezerk werd mee overgebracht en bleef behouden.

 

 

Bronnen:
– Onuitgegeven getuigenis van Joseph J. Oelbrandt, korporaal 22ste linieregiment.
– Regimentsgeschiedenis 2de/22ste linieregiment, augustus 1914-oktober 1914. Auteur en datum onbekend.
– Lyr R. (1920) Onze helden voor het vaderland gesneuveld, Brussel.
– Crame (1923), Le Combat de Hautem-St. Marguerite par le Colonel retraité Crame, Gent.
Leon Hulstaert
– Foto Camille Duron: https://www.wardeadregister.be/nl/content/duron-0
– Biografische informatiee Camille Duron: https://heldenhulde.be/?s=Duron
– Kaart: Les Opérations de l’Armée Belge pendant la Campagne: 1914-1918: Combats de Hautem-Sainte-Marguerite et de Grimde (18 août 1914 à la 1 D.A.),
(Bulletin Belge des Sciences militaires), Brussel, 1930, kaart 3: Journée du 18 août 1914.)
– Militair dossier Joseph Oelbrandt, Documentatiecentrum Koninklijk Museum van het Leger en de Krijgsgeschiedenis.

***

Met dank aan Yves Derveaux

Brieven van VAN DE WIELE Alphonsus Josephus 1894-1916

Cherbourg den 8 October 1914

Ouders,

Met deze bericht ik U als dat wij als we van huis vertrokken zijn dien avond bij ons Marie aan boord geslapen hebben en dat wij ’s morgens met den trein te Zwijndrecht naar Poperingen vertrokken zijn, wij hebben dan twaalf uren op den trein gezeten en wij zijn allen nog in volle gezondheid.  Wij hebben Poperinghe dan een dag geweest en dan zijn we vertrokken naar Cortemark voor twee dagen en dan zijn we met de trein naar Duinkerke gereden daar hebben we weer acht uren aan gereden dat we dan om twaalf uren daar aankwamen en dan zijn we met een zeeboot ingescheept naar Cherbourg we hebben daar zeventien uren op gezeten.  Wij liggen nu daar in de kazerne, eten hebben wij nog niet veel gehad soms dagen van niets en soms een beetje brood of wat patatten, maar ik denk dat het toch nu wel een beetje zal verbeteren en solden hebben wij ook nog niet getrokken wij zitten nu over de honderd uren van huis af, wij liggen allemaal nog bij elkander, ik en Pol, wij slapen neveneen.

Schrijf maar eens terug aan het adres: Alfons Van De Wiele 3e Chasseurs Caserne Proteau à Cherbourg Manche France

De beste groeten aan broeders en zusters,

Uw zoon Alfons Van De Wiele

 

 

Manche Orteville 5-1-1915

Ouders

Met deze bericht ik U als dat  het zeker is dat wij den 15 januari naar België komen denkelijk naar Veurne.  Verder de beste gezondheid en hoop van U hetzelfde.  Een handdruk van verre.

4de Cie I Battaljon III Pilet N° 56100

Alfons Van De Wiele

 

 

België den 19 mei 1915

B266 1 Bat. 4 Comp Armee Belge en Campegne

Beste Zuster en schoonbroeders,

Met deze kom ik U te laten weten als ik uwen brief ontvangen heb en waarin ik zie dat U allen nog goed gezond zijt, hetgeen met mij ook zoo nog is en de andere mannen van Rupelmonde ook, ik heb ook de brief ontvangen met de tien franken in, waar ik zeer content over zijn nu kan ik het weer koopen als ik iets te kort heb, zoo hoor ik als dat ze te huis ook altijd nog de kost hebben en dat alles nog goed is, dat doet mij ook veel plezier en dat broeders en zusters ook niets te kort hebben: ’t is al wat wij moeten hebben en alzoo blijven tot het einde toe, dan is alles goed.  Doet ook de complementen aan Henri en Coralie, mijn peet, en aan Abdon.  Nu vroeger als de Polle een brief van huis kreeg dan stak er al eens een briefje voor mij in of minstens toch de complementen als dat alles goed is, maar nu niets meer en hij krijgt tegenwoordig veel brieven van huis maar niets daarin, wat het ginder mag zijn dat weet ik niet, misschien wat flauwekul nu met den oorlog, maar allé wij kennen die menschen, ’t zijn kalite niet waar.

Beste Zuster en Schoonbroeder, ik kom U ook het droevige nieuws te laten weten als dat een van mijn beste kameraden overleden is, het is Albert Remon van de Spessens van Rupelmonde, ten Ture zijn broer.  U zult hem wel kennen, hij heeft een bal dumdum in zijn hoofd gekregen en heeft nog eenige dagen geleefd na het geval en hij is dan gestorven in het hospitaal.  Hij ligt in Adinkerke en wij hebben er al aan geweest, maar het pakt ons toch hard iedere keer dat wij op het kerkhof gaan, den eerste keer werd ik zoo wit als de muur, ja ’t is erg, maar Ture laat het niet weten naar zijn huis want die menschen zouden te hard geraakt zijn laat het liever stillekens aan gaan.

Nu Ture en Marie wij hebben ook bij den Door Westerlinck geweest en U hebt er de complimenten van ook van de Frans van Vitorke Mees, ook van den Amedée den Boelle en die mannen, zijn ook allemaal goed gezond en van de Jan Pijl de zoon van Talus, maar ze moesten nu nog al hard werken maar ze zitten in het gevaar niet, en dat is alles.

Nu vele groeten van den Toon en Nandje de Pieper en van de Polle, en ook van den Torre Deyaert en van al de andere vrienden en kennissen en zoo gauw ik kan zal ik de ringen op sturen, want ik zou niet gaarne hebben dat het verloren ging.  Nu ga ik maar sluiten en vele groeten aan onze ouders, broeders en zusters, en aan heel de familie en aan de vrienden en kennissen die daar bij U zijn en hoe gaat het al met onze Jef houd hij hem goed en ook met de kinderen, laat eens weten of U de gazet al ontvangen hebt met den ringen ’t is eene kleine voor de kinderen., ’t is maar om te proberen nu een warme handdruk van verre en vele groeten van,

Uwen broer en Schoonbroeder

Alfons Van De Wiele

Bron: Tijdschrift HKW augustus 2004, pagina 13 t.e.m. 15

Met dank aan de Heemkundige Kring Wissekerke.

Brief van VERHEGGEN Alphonsus 1892-1914 (klik hier voor zijn persoonsgegevens)

Augustus 1914, het begin van de Eerste Wereldoorlog. In Scherpenheuvel raakt een postzak met 175 brieven en prentkaarten zoek waarvan een 70-tal afkomstig van jongens die in het Limburgse Halen aan het front hadden gevochten. De postzak bevat allemaal stukken die op 16 augustus 1914 zijn afgestempeld. De reden waarom de postzak verloren is gegaan zal waarschijnlijk nooit achterhaald worden. Honderd jaar later wordt de postzak als bij wonder bij een verbouwing onder een plankenvloer teruggevonden. Dit verhaal is bekend geworden door het tv-programma ‘Iedereen beroemd’ waar reporter Arnout Hauben op zoek gaat naar familieleden van de gevonden brieven.

scherpenheuvel

Alfons Verheggen, soldaat, woonachtig op de Es in Melsele schrijft op 15 augustus 1914 vanuit Diest een brief naar zijn ouders maar spijtig genoeg zit ook zijn brief in de verloren postzak en zullen zij de brief nooit ontvangen.

ouders verheggen

Fabianus Verheggen en Antonia Verdonck ( de ouders van Alfons).

Via de Hertogelijke Heemkundige Kring het Land van Beveren komt  Arnout Hauben al snel bij een achterneef van Alfons terecht die nu een eeuw later de onbestelde brief van zijn grootoom heeft kunnen lezen.

 verheggen fragment

Beminde ouders,

Ik laat u weten dat ik nog in goede gezondheid ben en ik hoop van u het zelfde. Het is al enige dagen geleden, van toen we nog in Leuven waren, dat ik u heb geschreven. Donderdagnacht zijn we naar Diest getrokken om de wacht op te trekken aan de fortterre. Het is daar een gevaarlijke toestand. Wij zijn met een groep van 50 man die tot hiertoe hun mannetje hebben gestaan. Ik denk dat wij nog wel enkele dagen in Diest zullen blijven vooraleer we in een gevaarlijkere toestand zullen terecht komen. Wanneer dat zal gebeuren weet ik niet, maar tot hiertoe ben ik nog niet bang geweest. Vader, moeder, broeders en zuster schept maar moed, we zullen misschien nog gespaard blijven van enig gevecht.We hebben gehoord van een soldaat van het 9de linie die in Gent is geweest, hoe wreed de oorlog is. 180 paarden en 250 Belgische soldaten zijn omgekomen tijdens gevechten, woensdagnacht in Luik en Namen. Langs Duitse zijde vielen er weinig doden maar werden veel krijgsgevangenen gemaakt. De Duitsers hebben zich teruggetrokken. Ik kan wel 5 of 6 brieven vullen met het verdriet dat er in de streek rond Diest heerst. De mensen van Diest geven ons alles wat wij verlangen wat, gezien het aantal aanwezige Belgische militairen, niet is vol te houden. Vader, moeder schept nieuwe moed en geloof niet alles wat in de kranten staat.

Alfons zal zijn brief eindigen met de vraag of hij snel een antwoord van thuis mag verwachten.         Zijn verzoek zal helaas onbeantwoord blijven.

9 dagen later op 24 augustus 1914 sneuvelt hij te Haacht

(op bidprentje Lebbeke)

bidprentje verheggen

In de akte uit de registers van de Burgerlijke Stand van 31 mei 1924 staat te lezen dat Alfons is ‘Gestorven voor Belgie’ te Haecht, den vierentwintigsten Oogst negentienhonderd veertien en dat er toen geen overlijdensakte werd opgemaakt.  Dat de bij artikelen 13 en 19 der wet van 28 juli 1921 voorgeschreven afkondiging gedaan werd den 27 Februari 1924, in het Staatsblad ‘Moniteur Belge’ en den 2 en 11 Maart 1924 in de dagbladen ‘L’Indépendance Belge ‘en ‘De Volksstem ‘.

de volksstem verheggen

Met dank aan Paul Verheggen

petrus vanacker

VANACKER Petrus Augustinus

Oud-strijder 1914-1918

Geboren op 2 januari 1893 te Moerbeke

Zoon van Franciscus en ROOMS Maria Coleta

Echtgenoot van VAN GENCK Maria Philomena

Overleden op 7 februari 1974 te Sint-Niklaas

 

De oorlogsnotities 1914-1918 van

VANACKER Petrus Augustinus

Korporaal 1e regiment Karabiniers

 

Brasschaat – Schoten – Beveren

29 augustus – 5 september 1914

Den 29 augustus vertrekken wij om 9 uren van de morgent en marcheeren al heel den dag in de brandende zon. We zien veel af. De menschen zetten emmers water langs de huizen om ons te verfrisschen. Vele jongens blijven achter die niet meer kunnen van de blaren op de voeten. Eindelijk om 9 uren savonds komen wij aan te Brasschaet. Het was om dood te vallen, zoo wijd marcheeren met een rantsel van 20 kilos op uwe rug en in zulke stikkende hitte. Wat is (nu’t) best vechten of zulke marschen ? Oost west, thuis is het best. Nu hier in Brasschaet schijnt het dat wij wel 8 dagen zullen blijven om ons uit te rusten, maar des anderdaags om 9 uren in rang. Wij krijgen schuppen en bijlen en wij moeten hier loopgrachten maken en bosschen afkappen en dat duurt hier heel de dag. Gelukkiglijk zijn wij de 4 september hier al weg en vinden ons offecieren dat wij al goed uitgerust zijn. Wij komen aan tegen den avond te Schooten. Nu dat was niet te ver maar nu moet mijn compagnie de wacht doen aan het fort. Deze nacht zie ik eene zepelin bommen werpen boven Antwerpen en het waren geen kleine. Des anderdaags gaan wij door Antwerpen. Wij gaan over de Schelde zoo naar Zwijndrecht, Melsele. Dat ze nu maar voort gaan tot in St.Niklaas. Nu word ik niet moei maar in Beveren, halt, hier logeeren. Niemand mag het kantonement verlaten want de duitschers willen over de Schelde komen te Dendermonde en indien ze (gelukken) moeten wij er henen, nu zoo dicht bij huis. Ik en mijne kameraat Frans Loir wij vragen ons een velo aan de burgers en wij trappen het af naar huis. Om 18 uren zijn wij thuis. Maar den tijd is rap om, wat vertellen over wat wij zoo al tegen zijn gekomen, eens goed geeten, goed gewasschen en verschoont, wat pree en een stuk spek en om 20 uren rijden wij terug naar Beveren met het vast gedacht dat wij tog maar met ons Regement door St. Niklaas gingen marcheeren.

Werchter

12 september 1914

De duitschers zijn zoo nog op 600 meters van ons. Nu beginnen de machiengeweeren er in te schieten. Tog komen de duitschers steeds vooruit, een bewijs dat wij te kort schieten. Wij wachten enkele minuten en doen de machiengeweeren terug werken. Nu is het raak. Wij zien ze vallen en geven volle gaz, 300 kogels per minuut en zoo met 4 machiengeweeren. De duitschers laten zich plat tegen de grond vallen. Wij leggen stil. Nu staan ze weer recht, wel te verstaan die niet dood is, en ze komen weer vooruit. Weer worden de machiengeweeren in werking gesteld. Wij horen de duitschers tot hier schreuwen en kermen. Ze worden als weg gemaaid en komen niet meer vooruit hiervoor ons. Maar na enkele minuten worden wij hier onder vuur genomen van de kanons. Het is hier bij ons nu een regen van obbusen en schrapnel. Het pachthof hier tegen staat in brand. Ze hebben het op de machiengeweeren gemunt. Wij liggen hier plat op de grond in een plek aardappelen, onze rantsel op ons hoofd om het te beschermen. Onze Komandant word getroffen in zijne arm. Die loopt zooveel hij kan achteruit. De Majoor die hier bij ons zat, word getroffen door een stuk obus. Wij springen hem ter hulp maar hij wil niet dat wij hem weg dragen. Hij zegd ik gaa sterven, keert naar uwe plaats terug. Hij zegt nog manen vooruit, schieten met de machiengeweeren. Edward Robyn, nen kameraad van mij nen jongen van St. Niklaas word getroffen. Wij willen hem helpen maar hij was op slag dood. Op eens eene obus op 5 meters van mij, ik had juist den tijd om mij te laten vallen. De aarde viel op mij. Ik meende dat het met mij gedaan was. De stukken ijzer suisden zoo over mij heen. Het is hier om van schrik te sterven. De machiengeweren zijn tonderste boven geschoten en de duitschers zijn maar op 200 meters van ons. De claroens blazen den aftocht. Iedereen loopt achteruit. Wij worden nog steeds beschoten van de kanons. Iedereen is aan zijn lot overgelaten en elk moet maer zien hoe hier uit deze hel te geraken. Ik en mijne vriend Frans Loir wij blijven samen, gaan heelemaal van de massa weg, want wij zien dat de duitschers met hun kanons naar de massa schieten. Wij gingen langs de vaart. Daar moesten wij over, dat wisten wij, maar hoe. Vele zwommen er over maar ook vele verdronken. De kleine gemaakte bruggen vielen in daar ze er al te gelijk over wilden. Ik en Frans Loir wij gingen recht naar Tremeloo. Indien de duitschers daar nog niet zijn en indien die brug niet gesprongen is, dan is het aldaar best. Dat is de groote brug van vroeger. Als wij daar aankwamen, stonden er wel duizende te wachten om er over te geraken. Wij drimde er te midden in. Stap voor stap werden wij er zoo overgedragen en tuischen al dat gedrim en gestamt stonden er gekwetsten tuischen te schreuwen en te kermen van de pijn. Nu begint den duitsch met obussen naar de brug te schieten. Eindelijk geraken wij er over en nu recht naar het dorp van Tremeloo.

Diksmuide

11 – 12 oktober 1914

Wij komen om 12 uren snachs aan te Dixmuide. Daar bleven wij 2 dagen. Dixmuide is eene schoone stad maar wij verstaan hier de menschen bijna niet. Het is hier Bachten de Kuppe. Op 14 october gaan (wij) naar Ghyveringhove. Ik geloof dat wij hier in de kolonienen zitten, allemaal kleine gemeenten met dwaze, domme menschen, ze zijn wel 50 jaar achteruit. Maar met aldat geraken wij hier zonder eten, niets meer van tBelgisch leger te bekomen, geen winkels of bakkers hier te vinden, de menschen bakken hier bijna allen zelf. Wij moeten dus ons beschuiten opeten. Des anderdaags gaan wij naar Beveren. Dat is hier al tegen de Fransche grens. Hier woont een bakker. Die moet voor ons compagnie beginnen bakken tot wij allen een half brood hebben. En het ging rap. Van binnen was het nog juist deeg en heet geweg atten wij het op. En wij vonden het heel goed en daarbij men kon er niet te veel van eten. In de namiddag vertrekken wij. Het was tijd, den bakker zijn bloem was op. Om 11 uren savonds komen wij aan te Biscote en wij vragen naar eten, maar onze komedant zegt dat wij voor te slapen geen eten noodig hebben en morgen zal er eten zijn.

Aan de IJzer

21 oktober 1914

Smorgens vernemen wij dat de duitschers over den IJzer zijn met environs 300 manen en 4 machiengeweren. Er is al een brug overgeworpen en er komen er steeds meer over. Nu moeten wij slag in. Wij gaan langshenen den dijk van den IJzer. De duitschers kunnen ons niet zien tot als wanneer wij er nog 500 meters af zijn. Daar komen wij aan een huis. Eens men daar van achter komt, zijn wij int zicht van de duitschers. Wij moeten nog verder. Wij komen van achter dat huis en worden hevig beschoten van de duitsche machiengeweeren. Ze staan goed gericht. Wij hebben in eens 1 doode en 3 gekwetste waar onder mijn 2 kameraden van St.Niklaas Alfons Staes en Frans Loir, alsook mijn Lutenant waar ik ordonans van was. Wij laten ons allen vallen en op handen en voeten kruppen wij in de slooten, tot over ons knienen int water maar wij waren tog wat beschermd tegen de kogels. Wij volgden de sloot lincks en zoo geraakten wij buiten de richting van het duitsch machiengeweer. Voor ons op 200 meters stond een pachthof. Daar moesten wij naar toe. Man voor man liepen wij er henen. Er zaten al veel soldaten in de schuur. Daar zag ik Puylaert van St.Niklaas. De duitsch beschiet het pachthof met de kanonen. Wij waren wel met 30 man in de schuur. Opeens nen obus brisant op de schuur, elk springt buiten. Er waren 5 gekwetste waaronder Puylaert van St.Niklaas. Achter het pachthof is een loopgracht. Daar loopen wij in. Wij zien van hier de duitschers op 300 meters maar ze hebben ons ook gezien. Wij worden hier hevig beschoten van de kanonen en machiengeweeren. Hier achter ons staat heel het pachthof in brand. Wij zitten er in eerste lijn en worden maar steeds beschoten van de kanonen en wij liggen hier in ons loopgracht al met 4 dooden en verschillende gekwetste. Hier moeten wij allemaal sterven.

Alveringem – Izenberge

20 november – 6 december 1914

Den 20 november worden wij afgelost. Het word hier een stellingsoorlog. Allens word hier versterkt, loopgrachten maken, prikkeldraad spannen. De duitschers doen over den anderkant van het kanaal het tzelfde. Wij moeten naar Alferinghem. Als wij wat gegaan zijn moet ik weer achter blijven. Weer ben ik zoo ziek, alt maar afgaan. (Ik) kom terug bij die menschen in dat pachthof, ik mag er weer blijven slapen. Des anderdaags vraag ik om een stuk spek te bakken. Ik wilde het betalen maar die menschen wilden er niets voor. Ik trap het af naar Alveringhem, ik vind mijn compagnie, en wat wonder was met dat vet spek te eten is mijn afgaan gestopt en ik gevoel mij veel beter. Er wacht mij nog een grootere vreugde. Ik krijg hier nen brief van thuis. Ze schrijven dat ze allemaal goed gezond zijn. Dat was mijn eerste brief sedert wij in Bornhem vertrokken zijn. Ik schrijf seffens terug langs over Holland. Van daar brengen ze die over de grens. Den 22 november gaan wij weer naar tranchie. Alt maar vriezen, wij moeten met piosen door de grond kappen om loopgrachten te maken. In ieder geval het grootste gevaar is voor ons nu gedaan. Met die stellingoorlog word er wel al eens met de kanonen geschoten maar wij hebben bijna geen verliezen niet meer. Den 25 november verlaten wij het front. Wij gaan voor 12 dagen in rust te Issenberghe. Het was tijd, wij zitten vergeven van de kleerluizen. Nu krijgen wij ondergoed, schoenen, kousen, kleeren. Wij beginnen ons luizenpak af te koken en na een paar dagen komen wij er terug goed voor.

Noordschote

27 maart 1915

Er komen 2 Walen ons aflossen. Het is Fissè en D’Halleu. Wij gaan naar onze abri en wij zijn kontent dat wij er voor 4 uren van af zijn. Maar wij zijn maar enkele minuten binnen of Fissè komt meer dood dan levend binnen gevallen. Al wat hij kan zeggen is dat zijn vriend De Halleu dood is. Hij heeft ook bloed aan zijn gezicht maar dat is niet al te erg. Wij zoeken ons Komandant op maar die is nergens te vinden. De meeste van de compagnie voetvolk zijn alweg geloopen naar Noordschote. Al de loopgrachten zijn omgewoeld. Wij gaan dus naar ons machiengeweer. D’Halleu ligt op machiengeweer gevallen. Gansch zijn hoofd is verbrijzelt. Wij leggen hem op zijde. Wij probeeren het machiengeweer, het marcheert nog. Dus, ik en De Cock blijven op wacht. De drie andere Walen gaan hun kameraad begraven in Noordschote. Het waren Delvoux, Fissè en Hallein. Nu houd het geschut wat op maar nu moeten wij uitkijken. Wij liggen plat op de grond gereed om te vuren. Gelukkiglijk is het heldere maanschijn maar dat doet ons schrik krijgen. We zien de bloedvlekken op het machiengeweer. Nogtans ik en De Cock, wij hadden nog nooit schrik gehad maar nu kregen wij schrik van het gereuzel van het riet. Die bloedvlekken deden ons denken aan de dood.

Oost-Vleteren

16 – 19 mei 1915

Den 16 mei word hier te Oostvleteren nen belgische soldaat door de kop geschoten die geweigert zou hebben nog mee naar de loopgracht te gaan. Wij waren juist in rust en wij gingen zien. Een peleton van 12 soldaten stonden gereed om te schieten. De soldaat stond geblindoekt tegen een paal. Den offecier gaf bevel te vuren. 12 schoten klonken te gelijk maar niemand had geschoten om hem te dooden ! En den offecier was genoodzaakt hem zelf te dooden. De soldaten waren mistevreden. Ze scholden op de offecieren. Ze bedronken zich en met heele benden zelf gewapent liepen ze rond de gemeente. Gelukkiglijk geen enkel offecier of gedarm kwam hem laten zien. Anders kwam het wel tot eene kleine opstand. Ik vernam des anderdaags dat dien jongen van Dacknam was, met name Henri Reyns, en al 2 maal was gekwetst geweest en niet meer in de loopgrachten dierf komen. Twee dagen later kwam er op d’ordres dat in tvervolg niemand nog zou gefisileerd worden maar voor weigering naar strafkampen zou gezonden worden.

Palinghove

8 – 24 februari 1916

Nu den 8 Februari begind het hier geweldig te vriezen en zien wij veel af van de koude, bezonderlijk aan de voeten. Den 23 Februari komt Joseph Loir hier op het front. Het is nen jongen van mijn streek. Hij is langs Holland naar Engeland zoo op Frankrijk en vervolgens hier op het front terecht gekomen. Daar ik tot aan deze Slag van de Ijzer kameraad ben geweest van zijn broeder Frans die daar werd gekwets, gevoel ik mijn aangetrokken aan deze jongen daar hij nog niets weet van wat het frontleven betreft. Wij zijn dus van in het begin goede kameraden. Hij is wel in een andere compagnie maar ik help hem veel aan hetgeen wat hij te kort heeft. Den 24 krijg ik eene brief van Alfons Van Daele die een brief heeft gekregen van St.Niklaas waarin vermeld is dat het bij mijne thuis nog allens goed is. Op den secteur is het nog steeds goed. Er word hier bijna niet geschoten.

Mailly – Hoogstade

5 januari – 5 februari 1917

Wij zitten juist 33 uren op den trein als wij aankomen boven Parijs in het kamp van Mailly. Hier in dit kamp zijn allerande soldaten. Wij zien hier Engelsche, Franschen, Russen en Belgen. Dat is hier geweldig groot. Het kamp is gelegen op een berg. Het is hier nog veel koudert dan op het front. Ik ben nog steeds in de keuken. Wij moeten het vleesch in stukken kapen met een bijl. Het is vervrozen gelijk ijs. Wij moeten het dus met stukken in koken water leggen en daarna door den vleeschmolen om er bouletten van te maken. Nooit heb ik dat geweten van zoo hard te vriezen en hier op deze berg is het nog erger dan elders. De soldaten moeten hier dagelijks oefeningen doen. Ze moeten hier leeren hoe ze de duitschers uit Belgie moeten kloppen. Wij blijven juist een volle maand hier en vertrekken hier den 3 februari. Weer hetzelfde spel in beestewagens met 40 man op wat strooi. Alt maar vriezen, al ons eten weer vervrozen en zoo zitten wij weer 32 uren op den trein als wij te Hoogstade aankomen waar wij gaan vernachten in een schuur. Hier vernemen wij dat er hier op het front soldaten vervrozen zijn geweest.

Houthulst

juli – augustus 1917

Wij hebben er al moed op. Nu gaan den Engelschman en de Fransche den duitsch uit Belgie kloppen. De Fransche zien er goede soldaten uit maar de Engelsche, dat ziet men, dat zijn maar parademan. Ze zijn veel te schoon gekleed, hun schoenen blinken, geparfumeert, die komen volgend mij maar juist van hun moeder. Den 21 juli begind den aanval. Het is rechts van ons, wij zitten er niet tuischen. In den bosch van Hauthulst schieten ze 10 dagen lang met al de kanons en de vliegers werpen er gestadig bommen in. Den 1 augustus gaan den Franschman en den Engelsche vooruit. Nu gaan ze den duitsch eens pakken. Maar de duitschers beginnen nu te bombardeeren, 5 dagen lang. (Er) is een regen van obussen op de Engelsche en Franschen en ze geraken maar niet in den bosch van Houthulst. Bovendien begind het alle dagen te regen en stilaan word allens opgeven. En de jampotten en de pinardonansen trappen het terug af. En wij Belgen zien maar al te wel dat wij er aan zijn om nog eenen winter in ons rattenholen te moeten blijven zitten. En onze moed zakt terug tot in schoenen. Maar de soldaten krijgen wat meer eten en wat meer solde en de belofte dat het nu zeker den laatste winter is.

Nieuwpoort

16 maart 1918

Den 16 maart kan ik het al aftrappen naar de loopgracht. Wij zitten hier op den secteur van Nieuwpoort tegen de zee, nen slegte secteur. Wij hebben van onze eerste dag 3 gekwetsten. Ik vind dat het beter was in de keuken en nog beter in Parijs. Hier op deze secteur is het eene ware doolhof. Van als wij in de stad komen van Nieuwpoort gaan wij onder de grond weg, heelemaal afgeslagen met planken onder en boven gansch verlicht met den electriek. Men kan wel zien dat de Engelsche hier hebben gelegen want die zijn verlegen hun schoenen vuil te maken. Als wij zoo een 1/2 uur hebben gegaan, komen wij boven juist aan den IJzer. Die is hier wel 50 meters breedte en komt hier tegen in de zee uit. Gansch den dijk is hier ondermijnd, gelijk verlicht met electriek, allemaal gemaakt op kamers met beddens boven een. Daar kan hier zeker 500 man in. Obussen kunnen er niet door, daar ligt voorzeker 4 meters grond op. Wij moeten nog verder. Wij moeten den IJzer over. Daar zijn heelemaal brugen overgemaakt van groote vaten en planken. Wij moeten zeker nog 20 minuten gaan. Dan zijn wij op ons bestemming op voorpost.

Boezinge

27 – 28 september 1918

Wij krijgen theorie van onze Komandant die ons zegt dat (wij) van in Niewpoort tot tegen Ieperen, dus op gansch het Belgisch front, zullen aanvallen. Er zal een lijn soldaten liggen op 50 meters van de duitsche voorposten, de eenen neven den anderen. Deze lijn is dus de eerste lijn. Op 50 meters daarachter zal weer zoo een lijn zijn. Dat is de 2de lijn. Op 50 meters daar achter ligt zoo nog een lijn, dus de 3e lijn. Zoo liggen er dus 3 lijnen. Ieder offesier moet voor zijn kompagnie marcheeren. Wanneer het bevel zal gegeven worden om vooruit te gaan zullen de 3 lijnen op stap vooruitgaan, bajonet op tgeweer, stap voor stap. Al de kanons zullen vuren op 50 meters voor de eerste lijn en stilaan hun geschut verlengen zoodat de eersten lijn steeds volgd op 50 meters van de ontploffingen van de obusen en schrapnels. De eerste lijn mag voor niets stilhouden, alt maar vooruit. Zelfs moogd ge naar geen gekwetste omzien, dus alt vooruit zoo lang men niet dood is. De 2de lijn volgd op 50 meters en dient om de eerste aan te vullen wanneer er manen weg vallen. Ook die mogen voor niets stilhouden. De derde lijn mag de gekwetste bewin(d)en maar niet wegdragen en de krijgsgevangen ontwapenen.

Boezinge

29 september 1918

Eindelijk om 2.30 uren beginnen ons kanonen al te gelijk te schieten. Zoo iets hebben wij nog nooit gehoord. Wij liggen te daveren op den grond. Wij durven ons niet veroeren. Het is juist of er een trein over ons heen rijd. Voor ons op 50 meters ontploffen gestadig de obusen. Het is al vuur wat men voor ons ziet. Het is juist of gansch de wereld in een stukt. Tuischen al dat gerommel en gedruisch hooren wij gekerm en geschreeuw van de duitschers. Stilaan beginnen wij moed te krijgen daar er hier bij ons geen obusen vallen en wij staan al recht om dat schouwspel af te zien. Het word 4 uren en is nog steeds het tzelfde bombardement. Ook schieten de duitschers terug met hun kanons, maar ook die gaan over ons heen. Wij moeten er al om lachen als wij zien hoe de duitschers er nu van krijgen maar ons lachen is rap uit. Om 5.30 uren bevel vooruit. Iedereen steekt de bajonet op zijn geweer en gansch de eerste laan stapt vooruit. Ook ons kanonen verlengen hun geschut. Wij komen aan de duitsche stellingen. Allens is verwoest. Wij vallen van den eenen obusput in den anderen. Al den prikkeldraad is omgewoeld, hier en daar een doode of gekwetste duitsch. Wij gaan voort. Wij komen aan de duitsche loopgrachten.

Passendale

30 september 1918

Om 24.30 komt er bericht dat wij kost wat kost den berg moeten innemen. Zonder hulp van de artiellerie moeten wij den berg op waar zeker enkel machiengeweeren gereed staan om ons te ontvangen. Het ziet er maar slegt uit. Ik wil tog eerst nog een pijp rooken. Mogelijk is het de laatste maar op gods genade vooruit. Al ons artiellerie en vliegers schieten in en boven den bosch van Houthulst, dat is lincks van ons. Wij gaan dus den berg van Paeschedaele nemen zonder hulp van kanons of vliegers. Het wachtwoord dat wij krijgen is sterven of den duitsch van den berg. Wij zijn een paar honder meters vooruitgegaan als wij hevig worden beschoten van de duitsche machiengeweeren. Sergant Verheyden (wordt) getroffen in het hart en is op de slag dood. Wij lijden hier veel verliezen. De soldaten worden hier als weggemaait. De eene na de andere valt hier getroffen door de kogels der machiengeweeren. 2 jongens die het machiengeweer droegen, worden te gelijk getroffen. Ik neem het machiengeweer op mijn schouder. Wij springen van den eene put in den ander. Al wat ons kan vrijwaren gebruiken wij. Elk is aan zijn lot overgelaten maar ieder weet dat hij de berg moet bereiken. Het is afgrijselijk zoo een moorderij. Men hoort bijna anders niets dan smeeken en kermen der gekwetsten en het gerattel der duitsche machiengeweeren en bovenuit hoort men de stem van onze Majoor, Vooruit Carrabiniers vooruit vreekt uw makkers.

Passendale

30 – 31 september 1918

Allens werd doodstil. Geen enkel schot werd nog gelost. Alt maar regen en over gansch het slagveld hoort men maar steeds klagen en kermen van de gekwetsten. Wij staan hier als overwinnaars. 10 kilometer zijn wij vooruitgekomen maar in plaats van vreugde is het droefheid die wij gevoelen. Voor mij is deze nacht den droevigste geweest die ik ooit heb meegemaakt. Deze nacht zal nooit zoolang ik leef mijn geheugen ontgaan. Het is of ik het nog steeds hoor, al die ongelukkige die daar lagen te kermen. O, ik hoor ze nog roepen op hun moeder, op hun vrouw of kinderen, laat mij drinken, draag mij weg, kom mij helpen, ik gaa sterven, en in die kille nacht liggen zoo meschiens 500 gekwetste daar te klagen en te roepen om hulp. Niemand die hen kan helpen en vele gaan hier sterven door de koude of bloedverlies.

Brugge – Koolkerke

21 – 22 oktober 1918

Den 21 gaan wij naar Coolkerke. Wij moeten door de stad Brugge. Daar komt heel de divisie samen en met den generaal voorop en met volle muziek stappen wij door de stad. Wij werden er door het volk onthaald als helden. De menschen wierpen met bloemen door de venster. Nooit heb ik zoo een vreugde onder de bevolking gezien. En of wij fier waren, wij gevoelden voor al ons lijden de dankbaarheid van het volk. Tegen den avond kwamen wij aan te Coolkerke waar wij vernachten. Des anderdaags gaan wij het dorp in. Wij kunnen er allens krijgen en weldra loopen de burgers en soldaten met heele groepen bedronkent en wij gingen de slegte huizen kapot slagen. De burgers wezen het ons aan waar de vrouwen met de duitschers feesten en bovendien de menschen verklikten maar dat was rap gedaan. Al de meubelen en kleederen vlogen de vensters uit. Heel den boel werd stuk geslagen. 2 vrouwen werden samen gebonden. De burgers haalden er nog 2 bij en wij trokken er mede op tmidden plein van het dorp. Daar word van die vies meisjes het haar afgesneden en dan losgelaten. Ze werden van gansch de bevolking uitgejouwd.

Westkapelle – Eeklo

11 – 16 november 1918

Den 11 november kom ik van de wacht rond 18 uren. Ze vertellen hier dat het wapenstilstand is maar wij lachen erom. Dat is niet mogelijk. Maar toen ons Kommandant kwam zeggen dat niemand het kantonement mag verlaten, daar wij bevel kunnen krijgen om te vertrekken, daar den wapenstilstand is geteeken van 11 uren deze morgent, dan moesten wij het wel gelooven. De vreugde onder de soldaten was groot. Wij gingen ons waschen en erkleeden en wij trapten het af naar Heist aan zee. Heel den nacht bleven wij plezier maken en half bedronken keerden wij smorgens terug, benieuwd om het gezicht van onze Kommandant te zien. Wij kwamen al zingende binnen. De Kommandant liet ons weten dat wij ons zoo rap mogelijk moesten klaar maken om te vertrekken. Wij moesten maar op Brussel afgaan. Dat viel niet mee, niet geslapen, half bedronken. Nu met nen ransel op de rug moesten wij marcheeren naar waar en hoever, dat wisten wij niet. Doodmoei komen wij aan tegen Eecloo, dan weer een paar dagen rust en dan op Gent aan.

Op 21 augustus 1919 verliet Vanacker voorgoed het leger. Hij was toen drager van het oorlogskruis met palm, de medaille militairen tweede klasse, de medaille van de IJzer, de overwinningsmedaille, de herinneringsmedaille, het vuurkruis en acht frontstrepen.

vanacker petrus vuurkruiser

Met dank aan het Stadsarchief van Sint-Niklaas

De oorlogsnotities van Korporaal Petrus Vanacker zijn gepubliceerd in het

archieftijdschrift Archivaria (SASN), jaargang 4, nummer 11, juni 2002, pagina 55 t.e.m. 72